
 |
|
De vroegste oorsprong moet waarschijnlijk gezocht worden op de schrale zoutsteppen in Oost-Europa. Vandaar zou de plant zich verspreid hebben over Klein-Azië en het Middellandse Zeegebied.
In de oudheid stond de asperge vooral bekend als een geneeskrachtig kruid, de toevoeging “officinalis” in de Latijnse naam duidt hierop.
De plant diende als geneesmiddel tegen tal van kwalen en ziekten, van bijensteek tot hartklacht en van waterzucht tot kiespijn. In de piramide van Sakkara (Egypte) zijn afbeeldingen gevonden van asperge als offergaven, die vermoedelijk van 3000 jaren vóór Christus dateren. Van de Grieken is bekend dat zij al asperge als groenten gebruikten. De Romeinen brachten de asperges al veel eerder in cultuur. Uit de tweede eeuw vóór Christus zijn al teeltnotities van Cato bekend, die sterk overeenkomen met de huidige. In plaats van te steken, zoals nu gebeurt, trok men de asperges echter uit de grond.

De asperges werden door de Romeinen aanvankelijk rauw gegeten, later ook gedroogd en gekookt. Het zijn dan nog klimmende struiken of bosachtige planten. Later verspreidde zich de asperges verder over Europa en over de andere continenten. In het midden van de 17de eeuw worden de Asperges blanches op grote schaal in Frankrijk (en veel andere West-Europese landen) gekweekt. De Franse koning Lodewijk de Veertiende laat uitgebreide boomgaarden en moestuinen aanleggen om het hof van eten te voorzien. Onderdeel van deze tuinbouw zijn kassen die al in maart de eerste asperges moeten opleveren. Ook in de Lage Landen staan ze veelvuldig op het menu. In Groningen en omstreken waren in de achttiende eeuw al vele aspergebedden te vinden in de hoven van de meer welgestelden, als die hoven op goeie losse zandgrond lagen, bijvoorbeeld ten zuiden van de stad, op de Hondsrug. Groninger bloemisten adverteerden in die tijd ieder voorjaar ook met aspergeplantjes. De wat grootschaliger teelt in Nederland dateert uit de 19e eeuw. In ons land werd de asperge aanvankelijk geteeld op de losse zandgronden achter de Westlandse duinen, bij Noordwijk, Hillegom en Wijk aan Zee. Ook in Bergen op Zoom werden toen al asperges geteeld. Pas na de Eerste Wereldoorlog ontstond het Noord-Limburgse teeltcentrum. Met de groei van dit centrum nam de teelt in Limburg en Brabant toe en in eerder genoemde gebieden af. Op mondiaal niveau worden ca. 25 soorten gecultiveerd. In Nederland beperkt de teelt zich tot enkele rassen, zoals Gijnlim, Thielim, Backlim en Horlim, die op West-Europees niveau een hartig woordje meespreken. Deze belangrijke rassen zijn alle gewonnen op de proeftuin in Horst, dankzij kundig selectiewerk. De Familie Broess teelt asperges van het ras Geinlim, Herkolim en andere.
|
|